Bijna 20% van de beroepsbevolking in Nederland heeft een laagbetaalde baan. Werken aan de onderkant van de arbeidsmarkt tegen een relatief lage beloning is niet aanlokkelijk, tenzij het slechts een korte periode betreft. Als mensen zich kunnen ontwikkelen of kunnen doorstromen naar beter betaalde banen, worden de mindere arbeidsvoorwaarden gemakkelijker voor lief genomen. Om deze reden is de vraag naar de betekenis van scholing van laagbetaalde werknemers van essentieel belang. Dit onderzoek is erop gericht meer zicht te geven op de prikkels die laagopgeleiden ontvangen om cursussen of trainingen te gaan volgen. Eerst wordt onderzocht of de deelname aan postinitiële scholing door laagopgeleiden zich vertaalt in een grotere employability. Met andere woorden: of de kans dat men later in de loopbaan zijn baan verliest daardoor kleiner wordt. Daarna wordt onderzocht of er financiële prikkels uitgaan van postinitiële scholing. Dat wil zeggen: in welke mate resulteert cursusparticipatie in een hoger loon? Vervolgens wordt ingegaan op de motivatie van laagopgeleiden om aan postinitiële scholing deel te nemen. Tenslotte wordt aandacht besteed aan de rol die de werkgever kan spelen bij het stimuleren van de scholingsparticipatie van laagopgeleiden, bijvoorbeeld door het gevoerde HRM-beleid en het effect daarvan op het rendement van de gevolgde scholing. Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van het OSA-Arbeidsaanbodpanel 1985-2006 en de CINOP/ROA Levenslang Leren Enquête 2004 en 2007. Uit het onderzoek blijkt dat laagopgeleiden die aan scholing deelnemen daarvan ook profiteren. Zij ontvangen een hoger loon na deelname aan de scholing en zij verbeteren daarnaast ook hun arbeidsmarktperspectieven, zodat de kans op werkloosheid kleiner wordt. De auteurs merken op dat deze resultaten gelden voor zowel lager als hoger opgeleiden. Bron: rapport + website ECBO; bewerking RWI Naar het rapport